37: Vitamine K met Femke de Groof en Judith Groot

Verloskundig Baken
Verloskundig Baken
37: Vitamine K met Femke de Groof en Judith Groot
Aan het laden
/

AFLEVERING OMSCHRIJVING

Vandaag hebben we het over vitamine K. Al een poosje horen we dat er een verandering in het vitamine K beleid aankomt. In verschillende regio’s wordt al gezocht naar manieren van implementatie en ook zijn er geluiden van weerstand tegen het injecteren zo snel na de geboorte. Daarom hebben we kinderarts-neonatoloog Femke de Groof gevraagd om ons meer te vertellen over de achtergrond van de richtlijn en de huidige stand van zaken. Daarnaast hebben we Judith Groot, voorzitter van de moederraad van IGO Geboortehart, uitgenodigd om het cliëntenperspectief hierop te horen. Benieuwd naar hun verhalen? Luister dan deze nieuwe aflevering van Verloskundig Baken!

Shownotes, doneren, of meer info over Verloskundig Baken: www.verloskundigbaken.nl

GASTEN

Femke de Groof

Kinderarts – Neonatoloog

Je kan haar hier vinden op Linkedin.

Judith Groot

Voorzitter Moederraad Geboortehart

Je kan haar hier vinden op Linkedin.

Peters datapraatje

Rupturen deel 2: De 3e/4e graads rupturen

De ernstige 3e/4e graads rupturen komen veel minder vaak voor dan de 1e/2e graads rupturen, die we eerder bespraken. Maar het gebeurt toch jaarlijks nog bij rond 3500 vrouwen ofwel bij rond 2-3% van de bevallingen (2,7% na correctie voor sectio’s) en in 98% bij a terme bevallingen.

 

Effecten van geboortegewicht, leeftijd van de moeder en pariteit

Geboortegewicht: De belangrijkste risicofactor, die uit de Perined data naar voren komt, is het geboortegewicht (figuur F1). De prevalentie is bij a terme eenlingen ‘gemiddeld’ (rond 2,2%) bij een gewicht tussen de 3000 en 3500 gram om bij een hoger geboortegewicht toe te nemen tot bijna 5% bij 4500 gram of meer.

 

Leeftijd moeder en pariteit: Het beeld van het risico op een ernstige ruptuur naar leeftijd van de moeder en pariteit is nogal onverwacht (figuur F2). Het voor sectio’s gecorrigeerde risico stijgt sterk tussen de 20 en 35 jaar om daarna weer af te nemen. Dit leeftijds effect, dat we ook zagen bij 1e/2e graads rupturen, is veruit het sterkst bij het krijgen van een eerste kind en nulli hebben op iedere leeftijd sowieso een hogere tot veel hogere kans op een ernstige ruptuur dan multi. 

 

3/4e graads rupturen naar type bevalling

Spontane bevalling: Bij spontane bevallingen zien we in 2,55% van de gevallen een zware ruptuur (ruim 4% bij nulli en 1,5% bij multi). 

 

Kunstverlossing: Bij kunstverlossingen ligt het risico op een ernstige ruptuur met 3,5% iets hoger, maar dat risico is bij nulli (3,6%) en multi (3,3%) vrijwel gelijk. Wel wordt bij kunstverlossingen erg vaak een episiotomie gezet.

 

Herkomst: We zien na correctie voor sectio’s geen verschillen in 3e/4e graads rupturen naar herkomst. Zowel bij kaukasische als niet-kaukasissche moeders is de prevalentie (bij a terme eenlingen) rond 2,7%.

 

Ligging van het kind bij geboorte:

Na correctie voor sectio’s komt een ernstige ruptuur ‘gemiddeld’ vaak voor bij de normale achterhoofdsligging. Enkele soorten afwijkende ligging (kruin, voorhoofd, overig) hebben een verhoogd risico (rond 4%), maar andere liggingen (stuit, aangezicht) hebben een lager risico (1,3-1,8%) op een ernstige ruptuur. Bij de afwijkende liggingen wordt veel vaker (38-65%) dan bij achterhoofdsligging (22%) een episiotomie gedaan.

 

3e/4e graads rupteren naar plaats van de baring

Eerste lijn: In de eerste lijn zien we bij rond 2,5% van de a terme (eenling) bevallingen een ernstige ruptuur. Die zien we daar bijna 4x vaker bij nulli (5,1%) dan bij multi (1,4%). In de eerste lijn wordt verder bij nulli vaker een episiotomie gedaan (10-12%) dan bij multi (2,5-3%). 

 

Tweede lijn: In de tweede lijn zien we, na correctie voor sectio’s, rond 2,8% ernstige rupturen. Ook hier is dat weer vaker (3,9%) bij nulli dan bij multi (1,7%). In de tweede lijn wordt bij zwangerschappen > 24 weken zowel bij nulli (36-38%) als bij multi (23-25%) vaker dan in de eerste lijn een episiotomie gedaan.

 

Bij a terme eenlingen zien we in de tweede lijn rond 30-32% episiotomieen (rond 45% bij nulli en 16% bij multi). 

 

(De data voor 2018-2020 suggereren dat het percentage episotomie zowel in de eerste als de tweede lijn licht daalt ….of dat de registratiediscipline afneemt….)

 

Rupturen en episiotomie

 

Kijken we naar het tegelijk voorkomen van episiotomie en 3e/4e graads ruptuur (bij a terme eenlingen) dan zien we bij een episiotomie bij nulli een lagere kans op een 3e/4e graads ruptuur met dan zonder episiotomie namelijk 2,3 ipv 4,2%. Bij multi zien we geen verschil. Daar ligt de kans op een totaal ruptuurzowel met als zonder episiotomie op rond 1,6%. Dit kan te maken hebben met meer kunstverlossingen (waarbij 90% episiotomie wordt gedaan) bij nulli of met minder episiotomie bij nulli in de eerste lijn.

 

 

Bij 3e/4e graads rupturen is er gemiddeld (over 1e en 2e lijn) bij nulli in rond 20% van de gevallen een episiotomie gedaan en dat is bij multi in 10% van de zware rupturen het geval. 

 

Internationale verschillen episiotomie en rupturen

Onderzoek van het Peristat project (Peristat, 2016) liet grote verschillen zien in het voorkomen van 3e/4e graads rupturen in een aantal Europese landen in het jaar 2010. De NL cijfers over rupturen en episiotomie waren toen vergelijkbaar met de huidige cijfers. De vergelijking wijst op een mogelijk gunstig effect van episiotomie bij kunstverlossingen, zoals wij ook uit de recente cijfers concludeerden. In Denemarken en Zweden werd weinig geknipt (15-25%) bij een kunstverlossing en daar kwam vervolgens een hoog percentage (12-15%) ernstige rupturen voor. Nederland en Finland deden bij een kunstverlossing veel vaker een episiotomie (65-90%), waarbij veel minder vaak (3-4%) een ernstige ruptuur optrad. Hoewel er ook in Engeland en Schotland bij kunstverlossingen relatief veel wordt geknipt (75-90%) zagen we daar wel meer (6-7%) ernstige rupturen dan in Nederland en Finland.  

 

Opvallen in dit Peristat onderzoek is het grote international verschil van ernstige rupturen bij vaginale bevallingen. Het onderzoek meldde in Finland (1,1%), Duitsland (1,8%) en Noorwegen (2,3%) minder vaak ernstige rupturen dan in Ijsland (4,9%), Denemarken (4,1%), Zweden (3,5%), Engeland (3,2%) en Zwitserland (3,1%) met Nederland (2,7%) als middenmoter. Ik heb hier landen vermeld die ik qua socio-economische ontwikkeling en datakwaliteit het meest vergelijkbaar vind. 

 

Afsluitend de conclusie dat er internationaal grote verschillen zijn en dat er rond rupturen nog veel vragen zijn, bijvoorbeeld over hoe het risico tijdig in te schatten en in welke situaties er een gunstig effect van episiotomie te verwachten is. Opnieuw kijken naar de evidence voor de bestaande richtlijnen is een optie.

ACHTERGROND VAN DE PODCAST

Met deze podcast willen we een podium geven aan vernieuwende onderwerpen binnen de geboortezorg. Hiermee willen we het gesprek opgang brengen en zorgverleners binnen de geboortezorg inspireren.

Verloskundig Baken presentatoren zijn: Kirsten Schatorjé en Myrna Knol

De klankbordgroep wordt gevormd door Jolanda Liebregts, Rachel Reintjes, Karika van Hemert, Marlou Dankers en Esther Feijen.

Peters Datapraatje wordt mogelijk gemaakt door Peter Achterberg

Editing: Joost Dikker Hupkes

Zeegeluiden en muziek van Zapsplat

Je kan ons vinden op:

www.verloskundigbaken.nl

Linkedin: Verloskundig Baken

Instagram: @verloskundig_baken

Facebook: Verloskundig Baken

Twitter: @verloskundigb

Een voicemail achterlaten op: 06-82858646

Wil je ons steunen dan kan dat met een kleine maandelijkse bijdrage via petje.af en ook door een eenmalige donatie via deze link.

36: Hyperemesis gravidarum met Marjolein Houben en Jessica Sinay

Verloskundig Baken
Verloskundig Baken
36: Hyperemesis gravidarum met Marjolein Houben en Jessica Sinay
Aan het laden
/

AFLEVERING OMSCHRIJVING

Twee dagen geleden was het Dag van de HG (Hyperemesis Gravidarum), voor ons een mooie aanleiding om twee gasten uit te nodigen die ons veel kunnen vertellen over dit onderwerp. Jessica Sinay is secretaris in het bestuur van de Stichting Zwangerschapsmisselijkheid en Hyperemesis Gravidarum (ZEHG). Marjolein Houben is oud-verloskundige en verzorgt scholing voor de stichting. Daarnaast zijn ze beiden ervaringsdeskundigen. Luister deze aflevering voor antwoord op vragen als: wat is HG precies? hoe kunnen we ons als hulpverleners opstellen? en wat kunnen we doen om het meer dragelijk te maken voor de vrouwen die te maken hebben met ernstige zwangerschapsmisselijkheid of hyperemesis gravidarum? Wat een interessant gesprek weer!

Shownotes, doneren, of meer info over Verloskundig Baken: www.verloskundigbaken.nl

GASTEN

Jessica Sinay

Bestuurdslid ZEHG

Je kan haar hier vinden op Linkedin.

Marjolein Houben

Coach bij JustGro

Verloskundige np

Je kan haar hier vinden op Linkedin.

SHOWNOTES

Peters datapraatje

Rupturen deel 1: De 1e/2e graads rupturen

Bij rupturen wordt op de Perined website (data voor de jaren 2018-2020), een onderscheid gemaakt tussen 1e/2egraads en 3e/4e graads ruptuur. Eerder werd er gesproken over subtotaal en totaal ruptuur. We bespreken hier eerst de lichtere rupturen en een volgende keer de zware.

 

We kijken naar risicofactoren zoals pariteit, leeftijd en herkomst van de moeder, de ligging van het kind en het type baring en naar andere belangrijke invloeden, waaronder de plaats van de baring.

 

Qua data is dit nogal lastig. Want bij de berekening van het percentage vrouwen dat een ruptuur krijgt (de kans op een ruptuur) moet je de noemer corrigeren voor het aandeel vrouwen dat een sectio kreeg, want daarbij komt een ruptuur niet of nauwelijks voor. Daarnaast spelen episiotomieen (knippen) een rol, omdat die vaak gezet worden om een ruptuur ruptuur te voorkomen. Ze vervangen soms mogelijk een lichte ruptuur. Ik neem episiotomie dus mee in de analyse en dat compliceert het verhaal.

 

De prevalentie van lichte rupturen en episiotomie

1e/2e graads rupturen komen relatief vaak voor, nl meer dan 60.000 keer en dat is bij 37,5% van alle bevallingen. Corrigeren we voor sectio’s (noemer 15-20% kleiner) dan stijgt het percentage rupturen naar 45,6%. Het aantal rupturen bij a terme eenlingen komt op rond 58.000. Daarnaast zien we dat er nog rond 28.000 keer a terme een episiotomie gedaan wordt. Daarnaast wordt er nog in bijna 30.000 gevallen een episiotomie gezet. Samen genomen moeten vrouwen rekening houden met een  65-70% kans op een lichte ruptuur of knip.

 

Risicofactoren voor 1e/2e graads ruptuur

Pariteit: 1e/2e graads rupturen komen verrassenderwijze iets minder vaak voor bij nulli dan bij multi (37,3 vs 41,8%), mogelijk vanwege verschillen in leeftijd, geboortegewicht en/of het percentage episiotomie (37,6% bij nulli, 10,3% bij multi). In de eerste lijn is het percentage episiotomie 12,0 vs 2,7% en totaal rond 5-6%.

 

Leeftijd van de moeder: Het risico op een lichte ruptuur loopt enigszins op met de leeftijd van de moeder van rond 30% bij tienermoeders tot 45% bij 35 jarigen, maar boven de 40 jaar daalt het risico weer (zie figuur F1).

 

Geboortegewicht: Ook geboortegewicht speelt een rol en 1e/2e graads rupturen komen vaker voor bij een hoger geboortegewicht. Bij 5,5 pond is de prevalentie rond 35% en bij meer dan 8 pond gaat dat naar 50% (figuur F2).

 

 

De figuren hierboven zijn voor eenlingen en >24 wkn zwangerschapsduur.

 

Herkomst: Er zijn nauwelijks verschillen naar herkomst. Er is een (lichte) aanwijzing dat niet-Kaukasische vrouwen iets minder vaak (45,5% vs 47%) een lichte ruptuur krijgen, maar de verschillen zijn klein. Niet-Kaukasische vrouwen krijgen ook iets minder vaak een episiotomie (22,1% vs 18,9%) (Som ruptuur of knip: 68,1% Kaukasisch, 63.8% Niet-kaukasisch). Er is hierbij al wel gecorrigeerd voor het feit dat niet-kaukasische vrouwen (a terme, eenlingen) een 20-25% hogere kans hebben op een sectio (18 vs 14,5%).

 

Ligging van het kind bij de geboorte: Bij vrijwel alle afwijkende liggingen is de kans op een 1e/2e graads ruptuur lagerdan bij de normale achterhoofdsligging. Maar bij alle afwijkende liggingen wordt (die meestal in de tweede lijn worden geboren) twee tot drie keer zo vaak een episiotomie gezet dan bij achterhoofdsligging. De som van ruptuur en episiotomie is dan weer hoger bij de afwijkende liggingen.

 

 

Rol van het type bevalling

Bij een a terme spontane bevalling (eenlingen) is de kans op een 1e/2e graads ruptuur gemiddeld 49,1% en dat is, opvallend genoeg, iets minder (47,4%) bij nulli en iets meer (50,3%) bij multi. De verklaring is mogelijk dat leeftijd een rol speelt. Bij spontane bevallingen zien we naast de 1e/2e graads rupturen ook rond 15% episiotomieen en dat gebeurt dan weer veel vaker (24%) bij nulli dan (de 7%) bij multi.

 

Bij een kunstverlossing is de kans op een 1e/2e graads ruptuur veel kleiner, namelijk gemiddeld 13,3% en dat is 12,1% bij nulli en ook weer hoger bij multi, namelijk 20%. Maar er wordt bij een kunstverlossing in 89,5% van de gevallen een episiotomie gedaan en wel 92% bij nulli en 75% bij multi.

 

Bij inleidingen zien we iets minder vaak (48 vs 53%) een lichte ruptuur, ook na correctie voor sectio’s maar we zien weer wel iets vaker (22-23 vs 19%) een knip.

 

We zien dat de kans op een lichte ruptuur in sterke mate wordt beïnvloed door de kans op een episiotomie en dat is misschien wel meer dan door de risicofactoren, zoals pariteit, herkomst of leeftijd van de moeder. Omdat episiotomie sterk verschilt naar de plaats van de baring kijken we daar in meer detail naar.

 

1/2e graads rupturen en episiotomie naar plaats van de baring

Er zijn flinke verschillen bij 1e/2e graads rupturen naar plaats van de baring. We vinden ze in de eerste lijn bij 50-55% van alle a terme bevallingen maar duidelijk minder vaak in de tweede lijn (rond 42% (na correctie voor sectio’s). Maar kijken we tegelijk naar episiotomieen dan zien we dat die in de eerste lijn veel minder vaak (5-7%) voorkomen dan in de tweede lijn in het ziekenhuis (30%) (figuur F3).

 

In de eerste lijn gebeurt een episiotomie iets vaker in het geboortecentrum en in het ziekenhuis (resp 6,8 en 6,0%) dan bij bij thuisbevallingen (4,7%). In het ziekenhuis wordt (opnieuw gecorrigeerd voor sectio’s) in bijna 31% van de gevallen een knip gezet. Bij episiotomieen zien we dat multi op iedere leeftijd ongeveer dezelfde kans op een knip hebben (rond 10%), maar dat knippen bij nulli sterk leeftijdsafhankelijk is van rond 25% kans bij tieners tot rond 40% bij de 40plussers met een uitschieter tot 57% bij 45 plussers die geen sectio kregen.

 

 

Lichte rupturen en knippen

Tellen we de cijfers voor 1e-2e graads rupturen en knipen op dan zien we dat rond 67% van de in Nederland bevallen vrouwen een knip of lichte ruptuur heeft ondervonden. Dat getal is iets lager (56%) bij een bevalling thuis of in de eerste lijn dan in de tweede lijn (Figuur F4).

 

De cijfers laten zien dat knippen (episiotomie) gemiddeld gepaard gaat met een lagere kans op 1/2e graads rupturen (12,4% kans met een knip versus 44,5% zonder) of dat deze dan mogelijk niet gerapporteerd worden.

 

Bij nulli treedt een 1/2e graads ruptuur op bij 9,3% van de gevallen met knip en bij 38,3% zonder. Bij multi is dat 17,3% met knip en 44,4% zonder knip. We zagen al eerder dat multi verassenderwijze een hogere frequentie van 1/2e graads rupturen hebben.

 

Tellen we deze cijfers op (figuur F4) dan zien we dat rond 67% van de in Nederland bevallen vrouwen een knip of lichte ruptuur heeft ondergaan. Dat getal is iets lager (56%) bij een bevalling in de eerste lijn dan in de tweede lijn en dat laatste vooral omdat in de tweede lijn veel vaker een knip wordt gezet.

 

 

Wel moet je eigenlijk corrigeren voor het gelijktijdig voorkomen van zowel een ruptuur als een knip.

 

Bij gemiddeld 1 op 7 a 1 op 8 van de episiotomieen komt tegelijk een 1e/2e graads ruptuur voor, maar we kunnen uit de Perined data die wij hebben niet halen of dat verschillend is voor de plaats van de baring. Als de combinatie overal evenvaak voorkomt verlaagt dat vooral de somscore voor de tweede lijn met rond 4% en wordt het verschil tussen de 1e en 2e lijn kleiner (10 ipv 14%).

ACHTERGROND VAN DE PODCAST

Met deze podcast willen we een podium geven aan vernieuwende onderwerpen binnen de geboortezorg. Hiermee willen we het gesprek opgang brengen en zorgverleners binnen de geboortezorg inspireren.

Verloskundig Baken is een samenwerking tussen Jolanda Liebregts, Rachel Reintjes, Karika van Hemert en de presentatoren van deze podcast Kirsten Schatorjé en Myrna Knol

Peters Datapraatje wordt mogelijk gemaakt door Peter Achterberg

Editing: Joost Dikker Hupkes

Zeegeluiden en muziek van Zapsplat

Je kan ons vinden op:

www.verloskundigbaken.nl

Instagram: @verloskundig_baken

Facebook: Verloskundig Baken

Twitter: @verloskundigb

Een voicemail achterlaten op: 06-82858646

Wil je ons steunen dan kan dat met een kleine maandelijkse bijdrage via petje.af en ook door een eenmalige donatie via deze link.